Nederlandse betrokkenheid: 12 april 1999 - heden Krijgsmachtdeel: landmacht, luchtmacht en marechaussee Totale aantal betrokken militairen: 4.197
Achtergrond Nadat Joegoslavië akkoord was gegaan met de door de NAVO afgedwongen ontruiming van Kosovo, besloot de Veiligheidsraad op 10 juni 1999 in resolutie 1244 tot een civiele en militaire operatie. De VN namen de coördinatie van de humanitaire hulpverlening, wederopbouw, het interimbestuur en de opbouw van een nieuw overheidsapparaat op zich. Daartoe werd de United Nations Mission in Kosovo (UNMIK) in het leven geroepen. De door de NAVO geleide vredesmacht Kosovo Force (KFOR) nam de militaire component voor haar rekening (operatie Joint Guardian). Vanuit Macedonië rukten de eerste KFOR-eenheden op 12 juni Kosovo binnen, in het kielzog van de terugtrekkende Joegoslavische eenheden (voltooid op 20 juni). Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië en de Verenigde Staten kregen als belangrijkste troepenleveranciers ieder een eigen sector aangewezen. KFOR was verantwoordelijk voor de handhaving van het staakt-het-vuren en het scheppen van voorwaarden waaronder de vluchtelingen (Albanese Kosovaren) veilig konden terugkeren. Dit hield onder meer in het ontwapenen van de Kosovaarse bevrijdingsbeweging UÇK, het handhaven van orde en rust totdat UNMIK deze taak overnam, een begin maken met het mijnenruimen, het uitvoeren van grenscontroles, het ondersteunen van UNMIK en het verzekeren van de eigen bewegingsvrijheid en die van internationale organisaties.
Nederlandse bijdrage De harde kern van de Nederlandse militaire bijdrage bestond uit 11 Afdeling Rijdende Artillerie. Bij deze eenheid, uitgerust met M-109 houwitsers, was ook een mortieropsporingsradarbatterij ingedeeld. De Gele Rijders werden onder bevel gesteld van de Duitse 12 Panzerbrigade, inmiddels omgedoopt tot Multinational Brigade South en gelegerd in Tetovo. Ze kregen Orahovac en omgeving toegewezen als sector en zagen daar toe op de handhaving van orde en rust. Later dat jaar breidde hun verantwoordelijkheidsgebied zich uit met Velika Hoca en Suva Reka. In december 1999 loste 41 Afdeling Veldartillerie de Gele Rijders af. De Nederlanders traden diverse malen op buiten hun eigen ressort en bewaakten daarnaast wapendepots. Op 31 april 2000 werd 41 Afdeling Veldartillerie uit de slagorde van KFOR genomen en keerde in slagen terug naar huis. Vanaf juli 1999 was ook 11 Geniehulpbataljon waarbij inbegrepen een transport- en een infanteriecompagnie (voor beveiligingstaken) actief in Kosovo. Deze eenheid vestigde zich op een vliegveld iets ten noorden van Prizren. Haar werkzaamheden richtten zich in eerste instantie op het ruimen van mijnen en vervolgens vooral op de herbouw van woningen, het vervoer van bouwmateriaal voor de Non-Governmental Organizations en het weer begaanbaar maken van wegen en bruggen. Ze had tevens een ondersteunende taak bij het ruimen van massagraven en het internationale onderzoek naar oorlogsmisdaden. De ingedeelde infanterie bleek steeds minder nodig voor de bescherming van het bataljon en kreeg daarom in toenemende mate andere beveiligingstaken opgedragen. In januari 2000 nam een nieuw bataljon het roer over, vanaf begin februari versterkt met een Bulgaars constructiepeloton. De infanteristen beëindigden hun werkzaamheden op 1 mei, de rest van het bataljon op 2 juni. De Koninklijke Luchtmacht droeg aan KOR bij met een helikopterdetachement bestaande uit drie CH-47 Chinooks. Dit werd op 14 juli uitgebreid met vier Bôlkow Bo-105 lichte verkenningshelikopters. Een mechanisch defect aan de motor zette de Chinooks vanaf 9 augustus buiten spel en deze toestellen keerden op 30 september naar Nederland terug. Behalve technisch, verzorgend en vliegend personeel bestond het detachement ook uit een Object Grond Verdedigingspeloton en een hondensectie. De twee laatstgenoemde eenheden vertrokken begin maart 2000 naar Nederland, de rest volgde op 1 juni. De Koninklijke Marechaussee leverde twee detachementen: twintig blauwe marechaussees verrichtten algemene politiediensten in Orahovac, Suva Reka, Prizren en Petrovec; 23 groene collegas voerden verkeers-, snelheids- en konvooicontroles uit. In december 1999 en januari 2000 werden beide groepen gereduceerd met respectievelijk vier en twaalf personen. Ook nu weer zorgde een National Support Element voor de logistieke ondersteuning van het Nederlandse contingent. Het voerde zijn taak uit vanaf het vliegveld Petrovec, nabij de Macedonische hoofdstad Skopje. Daar voorkwam het begin maart 2000 een watersnoodramp door een naburig dorp, dat door zware regenval dreigde onder te lopen, met groot materieel te hulp te schieten. De laatste militairen van dit NSE keerden op 8 augustus 2000 terug.
Er viel onder de Nederlanders één dodelijk slachtoffer te betreuren.